Aan tafel

Elke week is er in Uppsala een mars voor Gaza. Voor zover ik weet is het altijd vreedzaam, onder begeleiding van de politie. Laatst liepen we erlangs, mijn dochtertje en ik, toen een stoet van mensen met Palestijnse vlaggen en spandoeken voorbijtrok. Er klonken leuzen, trommels, megafonen.

Ze keek me aan.
‘Wat doen die mensen? Zijn ze boos? Waarom is er politie bij?’

De moed zakte me in de schoenen. Hoe leg je een oorlog uit aan een kind van vijf?

Als ik op mijn tijdlijn kijk, zie ik de verdeeldheid. Rond Gaza zeker — beelden van honger en verwoesting, oproepen tot gerechtigheid. Maar ook berichten over gijzelaars, terreur, angst en verdediging. Twee kampen.

Maar het blijft daar niet bij.

Er is ook polarisatie rond klimaat, migratie, gender, verkiezingen. Rond grenzen en identiteit.

Mensen om me heen — mensen van vlees en bloed, met wie ik leef, werk, kerk of koffie drink — delen verschillende werkelijkheden. En ik zie hoe snel we elkaar verliezen.

Hoe mensen hun kring kleiner maken. Vrienden ontvolgen, meningen wegfilteren, werelden zuiveren.

En ik voel dat het makkelijker is dat ook te doen.

Dan herinner ik me die woorden van Jezus, toen farizeeërs Hem vroegen waarom Hij zich inliet met mensen van wie ‘je je maar beter kon afkeren’:

‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke wel. Ga heen en leer wat het betekent: Barmhartigheid wil Ik, geen offers. Want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’ (zie Mattheüs 9)

Jezus at met mensen van allerlei soort. Tollenaars, zondaars, fanatiekelingen. Niet omdat hun meningen en gedrag klopten, maar omdat liefde begint bij gemeenschap.

Dus ik zeg tegen mijn dochter:
‘De politie is hier zodat deze mensen kunnen laten zien dat ze verdrietig zijn. Ergens ver weg is grote ruzie. Zo groot dat mensen elkaar pijn doen en zelfs doodmaken. Sommige van die mensen hebben daar misschien familie, of vinden het gewoon heel erg. En ze willen dat laten zien. Fijn toch, dat de politie hen daarbij helpt?’

Ze knikt. En kijkt. En dat is genoeg voor nu.

De farizeeërs stonden buiten en wezen.
Jezus zat aan tafel —
met tollenaars, zondaars, en mensen met wie Hij het eens was én oneens.

Daar wil ik ook zijn.
Niet aan de rand met het juiste oordeel,
maar in het midden, aan tafel met mensen —
met wie ik het soms hartgrondig oneens ben.

Misschien wil je weten waar ik sta.
Maar soms is dat precies wat ons uit elkaar drijft: dat we iemands plek willen peilen om te beslissen of we verder willen luisteren.
Ik geloof niet dat het helpt om mij goed of af te keuren, om me in te delen vóór je leest.

En als je bij jezelf denkt:
‘Ik hoop dat [vul naam in] dit leest’
ga dan eens koffie met diegene drinken.
En durf te denken dat jij misschien de zieke bent.

Later die avond vraagt ze nog eens:
‘Zijn ze nog verdrietig, die mensen?’
Ik knik.
En zeg: ‘Ja, sommige mensen wel.’
Ze pakt haar knuffel vast en kruipt op schoot.
En ik besef opnieuw dat de wereld niet vraagt om mijn oordeel,
maar om mijn aanwezigheid.
Om luisteren.
Oefenen.
Samen aan tafel, met Jezus.

Afbeelding: Publiek domein via Wikimedia Commons

Plaats een reactie