Het gras was nog nat van de morgendauw toen Eend wakker schrok van zijn eigen bestaan. Door de opening van de eendenkorf sloeg hij een onzeker licht gade, terwijl de merel hem geruststelde met haar vrolijke gezang. Eend waggelde zijn korf uit en sprong vastbesloten het water in. Zijn ochtendduik ging gepaard met gespetter en licht gekwaak. Pas toen hij klaar was, viel het hem op dat hij niet alleen was.
“Goedemorgen, Reiger,” groette Eend.
Reiger keek schichtig op, alsof hij net betrapt was. Hij had naar Eend zitten staren terwijl die zich waste tussen de waterlelies. Zijn blik was verontschuldigend toen hij Eend na een ongemakkelijke stilte teruggroette.
“Goedemorgen,” zei hij verlegen.
“Ben je aan het vissen vanmorgen?” vroeg Eend nieuwsgierig. “Je bent al vroeg op.”
“Nee, dat niet,” zei Reiger. Er viel een korte stilte.
“Ik… ik heb een brief voor je. Van Brandgans,” zei Reiger aarzelend.
“Een brief? Voor mij?” snaterde Eend nieuwsgierig. Hij keek naar Reiger, die aan de kant van de sloot stond, precies tussen twee zwanenbloemen. De kleur van de bloemen was dof door de lichte mist.
“Ja,” zei Reiger, meer vragend dan zeker. Hij keek in het water terwijl hij sprak. Weer volgde een stilte.
Eend trok zijn snavel als een penseel door het water en schudde zijn vleugels uit. Hij wilde iets zeggen, maar de stilte was hem voor. Even snaterde hij zachtjes. Niet tegen Reiger, meer tegen de stilte.
“Ik heb hem bij me, hoor,” zei Reiger plotseling. Hij keek even op en daarna weer niet. Voorzichtig legde hij de brief naast zich neer in het gras, tussen de blaadjes van het uitgebloeide speenkruid.
Eend zwom nieuwsgierig naar de waterkant. Reiger deed onbewust een stapje opzij. Eend opende de brief met zijn snavel en las:
Hoi Eend,
Ik ben de kluts kwijt.
Ik ga eropuit en kom denk ik vanzelf wel weer terug.
Zoek me maar niet.
Of wel.
Groeten,
Brandgans.
Eend las de brief nog een keer.
“De kluts kwijt,” zei hij tegen zichzelf.
Reiger zei niets.
“Wat is dat, een kluts?” vroeg Eend terwijl hij Reiger aankeek.
Reiger haalde zijn veren op. “Geen idee. Misschien weet je dat pas als je het kwijt bent.”
Hij leek verbaasd over zijn eigen woorden en keek even op, alsof hij hoopte dat nog iemand had gehoord dat hij iets zinnigs had gezegd.
“Zou zijn zoektocht snel slagen, denk je?” vroeg Eend opnieuw.
“Vast. En anders komt-ie vast boven water.”
Reigers slungelige gestalte kreeg iets statigs.
“Zei hij nog iets toen hij het je gaf?” vroeg Eend droogjes.
Reiger schrok, alsof hij zich iets belangrijks herinnerde. Hij schudde met zijn grote kop.
“Vreemd,” zei Eend. “Maar bedankt. Ik ga maar eens ontbijten.”
Hij pakte het briefje in zijn bek en plonsde in het water. Even wilde hij zijn snavel onderdompelen om aan het eendenkroos te beginnen, maar hij bedacht zich: het briefje zat nog in zijn bek. Hij zwom naar zijn korf om het daarin te leggen, tussen wat ander nestmateriaal.
Reiger, die niet had gehoord wat Eend zei, merkte plotseling op dat Eend weg was. De zwanenbloemen bewogen zachtjes in een kort briesje. Hij keek naar hun statige stijlen en vergeleek ze met zijn poten. Toen vloog hij weg.
© 2025 Remco van der Leeuw. Alle rechten voorbehouden. De Kluts is een werk in ontwikkeling. Deze schrijfstudie kent twee sporen: het ontwikkelen van levensechte karakters én het laten meeklinken van Bubers filosofie dat werkelijk leven ontmoeting is: “Alles wirkliche Leben ist Begegnung.”
Wil je verder lezen? Dat kan! Elke zaterdag publiceer ik een nieuw hoofdstuk. Schrijf hieronder je mailadres dan ontvang je alles wat ik schrijf bij publicatie in je mailbox.


Plaats een reactie