Toerist zijn is niets voor mij. Ik laaf me graag aan andere talen en culturen, maar dat liggen op een overvol strand met andere vakantiegangers en het vieren van een “welverdiende” vakantie – dat begrijp ik niet zo goed. Geef mij maar elke week hetzelfde ritme in de liturgie van het jaar. Bovendien: voor een ‘groene’ leraar biologie is juist de zomer hét moment om met leerlingen naar buiten te gaan. Alleen zitten die leerlingen dan vaak de toerist uit te hangen.
(Voor de duidelijkheid: een groene biologieleraar is zo iemand met laarzen, vieze handen en een lichte sociale afwijking, te herkennen aan witte sokken en een onverzorgde baard. De tegenhanger is de witte biologieleraar: knappe doktersuitstraling en witte labjas.)
Enfin, deze zomer waren mijn kinderen de vrolijke klos. Papa had immers veel te lang vakantie en moest zijn lerarenskills ergens op botvieren. Dus leerden we samen plantennamen, maakten we een klein herbarium en bezochten we elke dag een nieuwe speeltuin in Uppsala. Een paar keer togen we zelfs naar de prachtige botanische tuin, waar we het Linneaklokje bewonderden.
Bijkomend voordeel: mama werd even ontzien en kon uitrusten met de baby op haar buik of in haar armen.
Op een zonnige dag liep mijn zoontje langzaam naar de bosjes. Hij bleef staan bij een struikje en plukte een blaadje af. Even was ik bang dat hij het in zijn mond zou stoppen, maar toen zag ik het: hij bracht het naar zijn neus — precies zoals ik dat altijd doe. Elk jaar buig ik mij, in een bijna sacramenteel ritueel, naar de bloesem van de sering, de vogelkers en de vlier. De blaadjes van daslook en duizendblad knijp ik fijn, waarna ik mijn hand naar mijn gezicht breng en een diepe teug neem.
Ik heb altijd een beetje een moeizame verhouding gehad tot het woord ‘trots’. Ik geef de voorkeur aan dankbaarheid. Trots suggereert voor mij te veel dat ik er een prestatie voor heb geleverd. Het voelt als borstklopperij. Wellicht is het een calvinistische inborst die me doet houden van woorden als ootmoedig en deemoedig. Mijn karakter is overigens totaal niet oot- of deemoedig, laat ik dat er eerlijk bij zeggen. Hoe dan ook: een afkeer van trots dus. Maar ja, nu heb ik kinderen die aan plantjes ruiken.
Als kers op de taart bracht mijn dochter vaak een wildboeket voor mem, die het met een lach ontving. Ze kon alle plantjes moeiteloos opnoemen.
Of mijn kinderen mij plezier wilden doen of echt liefde voor de natuur ontwikkelen, zal hun psycholoog over twintig jaar vast beoordelen. Ik had in ieder geval een prachtige zomer. En ben zo schandalig trots.


Plaats een reactie