Het erf voelde hard onder Eends zwemvliezen. Slechts aan de randen van het erf kon je na lang zoeken wat kleur vinden. Tussen het hoge gras bloeiden witte dovenetels samen met distels en bramenstruiken. Als je goed keek, kon je een verdwaalde heggenwikke gewaarworden. Plotseling zag Eend Kip uit het hoge gras het erf op komen rennen. Ze kwam aangesneld met opgetrokken vleugels, alsof ze tegelijk wilde rennen en vliegen. Haar stem was ernstig toen ze Eend zag.
“Eend! Doe je mee met ons protest? We beginnen vanavond en gaan door zolang het nodig is,” zei Kip vastberaden. “We kunnen niet langer zwijgen.”
“Hoi Kip, wat leuk om je te zien,” zei Eend vrolijk.
“Er moet iets gebeuren. Het moet over zijn. Ik word er niet goed van dat er nog steeds geen haan naar kraait,” vervolgde Kip alsof ze tegen zichzelf sprak.
“Geen haan die ernaar kraait?” vroeg Eend nieuwsgierig.
“Weet je het dan nog niet? Heb je het niet gehoord?” vroeg Kip haastig.
“Wat zou ik moeten hebben gehoord?” Eend zag hoe Kip amper stil kon staan. Ze bewoog heen en weer alsof ze ieder moment weg kon rennen.
“Nou, dat van die duizenden kippen in een stal,” zei Kip geagiteerd.
“Welke stal?” vroeg Eend.
Ze keek Eend ernstig aan en sprak met wijd opengesperde ogen: “Een aantal dorpen verderop hebben de mensen een grote stal gebouwd waar duizenden kippen worden opgehokt en vetgemest. De kippen kunnen amper rondlopen, zoveel zijn het er, en ze worden direct geslacht als ze vet genoeg zijn.”
“Zo, dat klinkt niet best. Hoe weet je dit allemaal?” vroeg Eend kalm.
“Ik hoorde het twee weken geleden van Ooievaar, die het met haar eigen ogen heeft gezien. Het kippenvel stond op mijn vleugels toen ik het voor het eerst hoorde.” Haar onrust nam weer toe en haar kop begon op en neer te bewegen terwijl ze sprak.
“Vorige week zouden we allemaal bijeenkomen bij het hoge gras onder de eik zodra de zon onder was. Iedereen zou komen, hadden ze beloofd. Maar bij zonsondergang: geen kip te bekennen. Typisch. Ze klagen in het hok, maar als het erop aankomt, durft er geen kip te kakelen. Maar ik geef niet op. Wie zwijgt, stemt toe. Wie toekijkt, werkt mee.”
Eend keek bewonderend naar Kip. Haar strijdvaardigheid wekte iets in hem op, alsof er onder zijn veren een gedachte begon te bewegen. Niet groots, niet luid — maar aanwezig.
“Ik ben niet zwak, zoals de andere kippen. Ik strijd tot die stal daar weg is. Het is een onrecht waar we tegen moeten opstaan. Er moet actie worden gevoerd. We zouden massaal eieren naast onze rennen moeten leggen. We moeten laten zien dat we het er niet mee eens zijn.”
Kips gekakel werd steeds luider terwijl haar vleugels loskwamen van haar romp en trilden van opwinding.
“Maar de boer kan er toch niets aan doen dat ze verderop een stal hebben gebouwd? Wat heeft het voor zin om je eieren naast de ren te leggen?” vroeg Eend, die een kalmerende toon aansloeg.
“Dat doet er niet toe. We moeten íéts doen. Dit kan zo niet langer. Jij vindt toch ook dat je moet opstaan tegen onrecht, toch?”
Eend dacht even na. Kips witte verenkleed was bijna bruin geworden van het opgestoven zand.
Hij begreep nog steeds niet wat de plek van haar eieren te maken had met een stal verderop — en toch voelde hij iets bewegen in zijn lijf.
Terwijl Kips veren trilden van woede, bewoog het gras. Haan kwam tevoorschijn, loom, alsof hij uit een dutje ontwaakte. Zijn bonte verenkleed leek het gras opzij te duwen; ineens vielen de bermbloemen scherper in het oog, alsof ze plotseling meer kleur kregen.
“Een hele goede middag,” kraaide Haan met een schuine grijns. “Wat een opwindend gekakel hier — ik hoop dat ik niet iets heb gemist,” zei hij.
“We hebben het over de stal vol met plofkippen,” snauwde Kip, zonder hem te groeten.
“Oh, dat weer,” zei Haan luchtig, terwijl hij met zijn snavel langs een grasspriet streek. Hij wierp een blik op Kip en toen op Eend.
“Pas een beetje op wat je zegt,” fluisterde hij in Eends richting. “Sinds die Klapperbek haar dit heeft ingefluisterd, loopt het hele hok op eieren.”
De balorigheid in Haans stem verdreef het pas ontwaakte gevoel van beweging uit Eends lijf.
“Ja, dat weer,” zei Kip ernstig. “Het is groot onrecht wat er gebeurt; jij zou je best wat meer kunnen inzetten!”
“Door als een kip zonder kop rond te rennen en je eieren buiten je ren te leggen?” vroeg Haan, traag en zonder op te kijken.
Hij liet zich in het gras zakken, strekte zijn poten uit en kneep zijn ogen halfdicht.
“Hoe meer kippen er doen zoals ik, des te meer kippen er genieten. Dat lijkt me een mooiere wereld dan eentje vol kippen die tokken alsof ze iets veranderen.”
“Je begrijpt er niets van,” zei Kip minachtend.
“Misschien,” zei Haan. “Maar wie niks begrijpt, slaapt wel het diepst. Trouwens — wat goed u te zien. Komt u zomaar even langs?”
Eend knikte.
Het verraste hem hoe eenvoudig Haan hem benaderde — niet als voorbijganger, maar als aanwezige. Alsof hij hem bevestigde in zijn bestaan.
“Ik was op weg naar het bos en toen kwam ik Kip tegen,” zei Eend vriendelijk.
“Naar het bos? Wat moet een eend nou in een bos?” gaapte Haan. “Zelfs de bomen zouden vreemd opkijken.”
“Ik ben op zoek naar een kluts. Weet jij wat dat is?” vroeg Eend.
“Een kluts? Nee, geen idee. En dat is te vinden in het bos?” Hij tikte met zijn snavel tegen een grasspriet.
“Weet je, Eend? Als ik iets niet weet, zoek ik het juist niet op. Dan blijf ik tenminste niet teleurgesteld achter.”
“En dat is nou precies jouw probleem,” zei Kip geagiteerd.
“Een probleem,” zei Haan kalm, “wordt gedefinieerd als een situatie waarin er een verschil bestaat tussen de huidige toestand en een gewenste toestand, zonder dat er een directe of vanzelfsprekende manier is om dat verschil te overbruggen. Maar ik leef in mijn gewenste toestand. Ergo: ik heb geen probleem.” Hij sloot zijn ogen. Zijn kam stond zelfgenoegzaam rechtop.
“Brandgans is de kluts kwijt, zegt hij, en ik wil hem helpen zoeken,” zei Eend.
“Kijk, dat is nou goed,” zei Kip. “Vrienden helpen. Dat zou jij ook wat meer moeten doen, Haan. Je inzetten voor een ander.”
“Ik ben al jaren bezig om niemand tot last te zijn. Dat is óók een bijdrage,” reageerde Haan laconiek.
Eend was even stil en keek naar Kip en Haan. Hoewel Kip niet meer trilde, zat de spanning nog in haar veren. Haan lag met halfgesloten ogen op de harde zandgrond. Half aanwezig, half afwezig. Vanuit de verte klonk het ritmisch gehamer van Specht uit het bos.
“Ik ga maar eens verder,” zei Eend.
“Ja, ik geloof dat ik ook nog maar eens een uiltje ga knappen,” zei Haan.
Kip zuchtte. “Succes met zoeken. Een betere wereld begint bij jezelf.”
© 2025 Remco van der Leeuw. Alle rechten voorbehouden. De Kluts is een werk in ontwikkeling. Deze schrijfstudie kent twee sporen: het ontwikkelen van levensechte karakters én het laten meeklinken van Bubers filosofie dat werkelijk leven ontmoeting is: “Alles wirkliche Leben ist Begegnung.”
Wil je verder lezen? Dat kan! Elke zaterdag publiceer ik een nieuw hoofdstuk.
Voor hoofdstuk 1 klik hier.
Voor hoofdstuk 2 klik hier.
Schrijf hieronder je mailadres dan ontvang je alles wat ik schrijf bij publicatie in je mailbox.


Plaats een reactie