#7 de kluts

De zon was onder toen Eend Ooievaar in de schemering gewaarwerd. Ze stond midden in het weiland en keek omhoog naar de schoorsteen waarop ze haar nest had gebouwd.
Et voilà,” zei Uil, toen ze via de rand van het bos het weiland bereikten.
“Bedankt dat je meeliep, Uil,” zei Eend, die niet wist wat voilà betekende, maar wel aanvoelde dat hun wegen hier weer zouden scheiden.
“Het was mij een genoegen. Zorg voor voldoende rust, zodat uw kop kan herstellen.”
Eend was de hele val alweer vergeten en streek zijn veren glad bij zijn kop, die voelde alsof er nooit iets gebeurd was. Hij dacht aan Brandgans. Zou hij hem nog vinden?
Hij knikte vriendelijk naar Uil, die op het punt stond weg te vliegen, toen hij plotseling Ooievaar hoorde.
“Een eend en een uil samen op pad, dat is interessant.”
Haar lange snavel stond schuin, en ze keek Eend en Uil geïntrigeerd aan.
“Hoi Ooievaar,” zei Eend, die aan Kip moest denken terwijl hij keek naar haar poten tussen de witte dovenetel.
“Dat ik op deze zomeravond zoveel schoons mag zien, verheugt mij, mevrouw Ooievaar,” zei Uil, alsof hij opgelucht was zijn oude manier van spreken te kunnen hervatten. Hij keek naar haar hals en ontweek haar blik.
“Ik had al geruchten gehoord over een eend en een uil in het bos. Onwaarschijnlijk, dacht ik, maar het klopt dus.”
“Geruchten?” vroeg Eend.
“Het bos zwijgt nooit, meneer Eend. Anders dan de sloot waar u uw korf heeft. Hoewel—ook daar was het onlangs bijzonder druk door Waterhoen en haar gevolg. Er schijnt met een groep meerkoeten, al badderend, een behoorlijke herrie te zijn gemaakt, terwijl u op zoek was naar uw vriend en zijn ‘kluts’.”
“U schijnt goed op de hoogte,” zei Uil, die anders dan Eend niet verrast was door Ooievaars kennis van zaken. “Dan is het maar goed dat wij u treffen. Weet u toevallig waar mijnheer Brandgans zich bevindt?”
Eend bewoog zijn veren alsof hij stof van zich af wilde schudden.
“Zeker,” antwoordde Ooievaar.
Even was het stil.
“Waar is hij? Gaat het goed met hem?” Eend begon ongeduldig heen en weer te lopen.
“Goede informatie is goud waard,” zei Ooievaar, plagerig.
“Wellicht kan er informatie worden uitgewisseld voor andere informatie,” zei Uil, die doorhad dat Ooievaar nieuws als handelswaar zag.
“Maakt u zich geen zorgen. Ik ben in een goede bui en zal u inlichten over Brandgans’ situatie. Geheel gratis.” Ze keek even omhoog en vervolgens naar Eends kleine zwemvliezen. De schemer vervaagde de anders zo felle oranjekleur.
“Brandgans bevindt zich al twee dagen aan een bosmeer ten zuiden van de stad. Naar verluidt gaat het beter met hem. Meer dan dit weet ik niet.”
“Bosmeer?” Eend keek Uil aan. “Het bosmeer! Ik zei u dat ik hem zag.”
“Mijnheer Eend, het bosmeer ten zuiden van de stad. Mijn bos bevond zich ten noorden van de stad.”
Verward keek Eend om zich heen terwijl hij zich probeerde te oriënteren.
“Hoe weet u dit alles?” vroeg Uil nuchter aan Ooievaar.
“Ik geef mijn bronnen helaas niet prijs, maar u kunt er zeker van zijn dat de informatie betrouwbaar is.”
“Weet u of hij zijn kluts gevonden heeft?” vroeg Eend ongeduldig.
“Zoals ik zei: meer dan dit weet ik niet.”

“Mij dunkt dat u momenteel rust nodig heeft, mijnheer Eend. Wellicht is het een idee u naar uw korf te begeven en uw hoofd de nodige rust te gunnen,” zei Uil vriendelijk.
“Laat mij met u meelopen. U zult wel vermoeid zijn na al uw ontmoetingen,” vervolgde Ooievaar.
Eend vroeg zich af wat Ooievaar allemaal wist over zijn zoektocht.
“Ik wens u een fijne avond,” zei Uil.
“Bedankt, meneer Uil,” kwekte Eend dankbaar.
Uil maakte een korte buiging en vloog weg.

De sterrenhemel was ondertussen zichtbaar geworden en het hoge gras maakte dat Eend weinig zag. Hij volgde Ooievaar, omdat hij anders bang was niet thuis te komen. Eend wist niet goed wat hij moest zeggen. Ooievaar leek niet erg veel meer te weten, en doorvragen leek weinig zin te hebben.
“Ik hoorde dat u onlangs een grote stal heeft gezien verderop,” zei Eend.
“Ja, de een zijn dood is de ander zijn brood,” antwoordde Ooievaar laconiek.
“Wat erg, wat zag u allemaal?”
“Duizenden kippen bijeen. Weinig daglicht, ze vallen elkaar aan en kunnen amper bewegen. Het haalt het slechtste in ze naar boven.”
“In de mensen of in de kippen?”
“Het kwaad voedt zichzelf.”
Eend werd stil en keek naar de lucht. Hij hoefde maar weinig moeite te doen de Grote Beer te herkennen.
“Hier om de hoek is uw korf, mijnheer Eend. Ik ga maar weer eens verder. Een goede nacht gewenst.”
“Dank, mevrouw Ooievaar. U ook een fijne nacht.”
Eend liep verder naar zijn korf. De geur van eendenkroos vermengde zich met het geluid van de gierzwaluwen boven hem. Dankbaar stak hij zijn kop in zijn veren en viel in slaap.

© 2025 Remco van der Leeuw. Alle rechten voorbehouden. De Kluts is een werk in ontwikkeling. Deze schrijfstudie kent twee sporen: het ontwikkelen van levensechte karakters én het laten meeklinken van Martin Bubers filosofie dat werkelijk leven ontmoeting is: “Alles wirkliche Leben ist Begegnung.

Wil je verder lezen? Dat kan! Elke zaterdag publiceer ik een nieuw hoofdstuk. 

Voor hoofdstuk 1 klik hier.
Voor hoofdstuk 2 klik hier.
Voor hoofdstuk 3 klik hier.
Voor hoofdstuk 4 klik hier.
Voor hoofdstuk 5 klik hier.
Voor hoofdstuk 6 klik hier.

Posted In , ,

Plaats een reactie