Langzaam konden mijn ogen vormen onderscheiden. Stuk voor stuk zag ik de pubergezichtjes me weer aankijken.
“Zien jullie? Het kost even voor het rodopsine-eiwit het licht heeft omgezet in een impuls. Dat heet donkeradaptatie.” Ik deed de gordijnen weer open en schreef het huiswerk met sierlijke letters op het bord.
Hij, mijn eigen leraar biologie van de middelbare school, had me ooit als eerste uitgelegd hoe dat ging. Door vitamine A kunnen je staafjes in het donker zien. Het duurt alleen even voordat het benodigde eiwit zijn werk doet. Je ogen moeten wennen aan het donker. Na verloop van tijd wordt het zicht helderder.
Hij wilde ons de werking demonstreren door ons met de hele klas in een donker hokje te zetten. De rest van de klas mocht hem niet en kon het amper opbrengen naar hem te luisteren. Hij droeg altijd sandalen – klassiek met witte sokken. “Seksloos,” noemde Chantal dat. Boven zijn sokken altijd een spijkerbroek en daarboven een Lacoste-blouse. Alsof hij met die blouse blijk wilde geven van enige stijl. Het hielp weinig; zijn onverzorgde gezichtsbeharing en ongekamde grijze haren op zijn hoofd onthulden zijn onverzorgde inborst.
Toch – een prima kerel, vond ik. Hij was niet het probleem, maar de klas. Die was ongenadig, hard en brutaal. Hoofddoel was om de leraar jankend de klas uit te krijgen. Als een stel legermieren wisten ze iedere leraar gek te krijgen. Door massaal te boeren en scheten te laten, of niet te stoppen met praten, wisten ze hun prooi fysiek uit te putten om hem vervolgens te vermorzelen. We genoten ervan.
Achter in de klas zat ik naast Joost. Hij was het ergst. Hij kon op commando scheten laten, elke keer weer ruikend naar rauw ei. En ik lachte. Niet om de geur, niet om Joost, maar omdat ik bang was voor stilte – stilte waarin mijn echte afkeer hoorbaar zou worden.
Hij kondigde zijn geflatuleer luidkeels aan.
“Kontscheet!” brulde hij, zodat de hele klas het hoorde.
David hapte vervolgens naar lucht. Naast hem strekte Peter zijn armen uit alsof hij een spelshow hostte.
“Mondscheet!” riep hij.
Het geluid viel harmonieus samen met de geur van terror. Terror die als besmettelijke feromonen werd verspreid. Iedereen lachte, zelfs Sophie, die normaal haar neus optrok voor alles wat naar zweet of puberzweet rook, schaterde mee – haar ogen glansden van iets dat op genot leek. Ze lachte niet om de scheten, maar om hem, meneer Van Dalen, die knalrood werd en niet wist wat hij moest doen.
“Meneer, Joost laat een scheet,” riep Chantal, die met een brede grijns Van Dalen aankeek. Ze wilde actie van hem. Ze hoopte dat hij met zijn grote handen Joost bij zijn oren zou pakken en hem het lokaal uittrok. En dat ze vervolgens als klas een klacht in konden dienen voor mishandeling van een arme puber. Maar hij deed niets, hij wist dat hij het onderspit zou delven als hij in actie kwam. Niet alleen vanwege de consequenties, maar omdat hij zou doen waar de klas op uit was en zich daarmee slaaf te maken van de terror die rondging.
“Auw,” schreeuwde Diederik vervolgens. “Meneer, Hanna slaat mij.”
Iedereen wist dat Hanna nooit iemand zou slaan, maar men was benieuwd naar wat deze valse aanklacht zou bewerkstelligen.
“Doet u niks?” vroeg Chantal met dezelfde blik als eerder.
“Het wordt tijd dat u eens op cursus gaat over hoe u moet omgaan met onze klas,” riep Sophie met venijn in haar stem.
“Ja, Sophie d’r moeder is expert op het gebied van klassenmanagement en geeft trainingen. Misschien moet u daar eens aan meedoen.”
“Nee joh, dat kan zo’n arme leraar met zijn salaris van een bijbaan toch helemaal niet betalen. Wat vraagt Sophie d’r moeder eigenlijk?” vervolgde Diederik.
“Hou je bek, sloeber. Het is maar goed dat sommige ouders wat meer verdienen, anders liepen we allemaal met zo’n lelijke Action-tas als de jouwe,” snauwde Sophie.
Iedereen lachte, zelfs Diederik.
De aandacht ging terug naar Van Dalen.
“Jongens, ik wil graag met jullie een afspraak…” probeerde hij.
“Meneer, hoort u dat?”
Bewust onderbrak Chantal hem.
Ik probeerde ook een scheet te laten – niets. De stilte dreigde me te verraden, dus begon ik te rappen. Iets over ‘bitches’ en ‘beats’, ik wist zelf niet eens wat.
“Eruit! Vincent, eruit!” Van Dalens gezicht was opeens vuurrood. Zijn stem trilde een beetje, maar het werd ineens muisstil.
“Meneer, ik deed niks!” Ik keek om me heen op zoek naar steun. Stilte.
“Kom op meneer, ik deed niks. Kijk nou naar al die anderen.”
“Eruit!”
“Waarom moet u alleen mij hebben?”
“Ik moet helemaal niet alleen jou hebben. En wat je vindt, kan me niet meer schelen. Je gaat er nu uit!”
Ik keek om me heen. Iedereen zat vol spanning te kijken naar wat zich plotseling tussen twee personen leek af te spelen, alsof het een schouwspel was tussen een leerling en een leraar. Het was even stil.
“Nee.” Ik keek om me heen, op zoek naar lachers. Maar niemand lachte. Ik keek naast me naar Joost, maar ook hij keek nieuwsgierig toe.
“Je doet wat ik zeg. Eruit!”
De spanning werd voelbaar en even twijfelde ik, maar ik bleef toch zitten.
We keken elkaar aan, Van Dalen en ik. In zijn ogen zag ik even medelijden. Maar daarna vermande hij zich. Hij liep met ferme tred de klas uit.
Het was doodstil.
“Wat doe je, man?” vroeg Joost.
“Hoezo?” stamelde ik.
“Zag je zijn kop?” riep David door de klas.
Even was het rumoerig.
Als in een flits was Van Dalen terug met de teamleider, Van den Berg.
“Vincent!” Van den Berg keek me strak aan.
“Meekomen, nu!”
Ik volgde als een stout hondje met de staart tussen de benen mee naar Van den Bergs kantoor.
Nu stond ik zelf voor de klas.
Twintig puberende gezichtjes keken me vol interesse aan. Ferdinand, met zijn hoofd vol puisten, schreef met zijn pen bijna elke zin op die ik uitsprak. Ik zuchtte. Mijn rug deed pijn. Mijn hoofd bonsde.
“Pak jullie agenda’s, jongens,” zei ik vlak.
Als afgerichte hondjes, die hun huiswerk ontvingen alsof het koekjes waren, schreven ze het huiswerk over dat op het bord stond. Ik hoefde niets meer te zeggen. De leerlingen waren klaar, de bel ging.
Eefje kwam zoals elke les naar me toe.
“Dank u wel, meneer.” Haar ouders hadden haar geleerd dat het beleefd was om de leraar te bedanken na de les.
Ik glimlachte zoals altijd. Toen ze als laatste van de klas de deur achter zich dichtdeed, begon ik te huilen. Niet veel. Een beetje; slechts drie of vier tranen biggelden over mijn wangen, alvorens ik me herpakte. Over tien minuten zou de volgende les beginnen, en ik had nog wat kopieerwerk te doen.
Op weg naar de kopieerruimte tuurde ik blijkbaar naar de grond, want het waren de pakschoenen van Dirk die me als eerste opvielen.
“Goedemorgen Vincent, goed weekend gehad?” vroeg hij, even flamboyant als altijd. “Lekker weer was het, hè? Wij hebben het hele weekend liggen dobberen.”
Dirk had een aantal jaar geleden een sloep gekocht en sindsdien praatte hij over niets anders meer dan zijn ‘Fiona’, zoals hij het bootje gedoopt had. Zijn vrouw had de naam bedacht. Ik vond het iets triestigs hebben en vermoedde dat de naam moest compenseren voor Dirk en zijn vrouws grote persoonlijke verdriet. Dirk was onvruchtbaar, en zelfs na vier IVF-behandelingen was het niet gelukt zwanger te worden.
“Wat heerlijk! Zeker met een lekker koel biertje,” antwoordde ik, en ik probeerde een lach op te voeren, maar iets deed me vermoeden dat mijn tranen nog zichtbaar waren. Hij had me in geuren en kleuren uit de doeken gedaan wat voor supersonisch koelsysteem hij wel niet in Fiona had gebouwd, die van alle luxe en gemak was voorzien.
“Malt, natuurlijk, deze kapitein moet nuchter blijven. Bovendien moet deze sixpack strak blijven.” Hij sloeg met zijn vuisten hard tegen zijn buik.
Zijn spieren waren goed zichtbaar in zijn iets te strak gymshirt. Zijn donkere krullen en gave gezicht lieten bij alle pubermeisjes de hormonen op hol slaan.
“Ik moet nog even wat kopiëren,” zei ik, wegkijkend.
“Daar hebben wij gymleraren gelukkig geen last van,” lachte hij en gaf me een knipoog.
Later stond ik weer bij mijn lokaal om de volgende vwo-4-klas binnen te laten. Als makke schapen voerden ze mijn vaste routine uit: een hand geven bij de deur en achter hun vaste plaatsen gaan staan. Als iedereen binnen was, gebaarde ik te gaan zitten.
Vaste routines zijn een van de belangrijkste sleutels tot orde en structuur in de klas. Leerlingen moeten weten waar ze aan toe zijn.
Ik was specialist geworden op dit onderwerp. Mijn hele opleiding lang had ik lof gekregen voor mijn klassenmanagement. Ook mijn scriptie ging erover. Belangrijk was om de leerling te zien en veiligheid aan te bieden. Rust, reinheid en regelmaat. Maar eigenlijk kwam het volgens mij vooral omdat ze instinctief doorzagen waartoe ik in staat was. Of was geweest.
Ik voelde mijn spieren, en ook mijn hoofd begon te bonzen. ‘Donkeradaptatie’, schreef ik op het bord. Ik keek om naar de klas en voelde dat ik begon te zweten. Mijn ademhaling werd sneller, en ik begon waziger te zien. Ik moest gaan zitten. In plaats van een uitleg schreef ik de bladzijden uit het boek op het bord.
“Lezen en samenvatten,” was mijn enige instructie.
De klas keek me verbaasd aan.
“Nu!” vervolgde ik met een chagrijnige stem.
Routinematig pakte ik mijn koffie en opende het lesboek. Ik probeerde de letters te lezen, maar mijn hersenen dwongen me bezig te zijn met de functies van mijn hersenstam.
“Rustig ademen,” dacht ik.
Met mijn ogen dicht zat ik op mijn stoel. Toen ik ze na een tijdje opende, zag ik Angela’s gave gezichtje. Ik wist niet hoe lang ze daar al zat, met haar vinger omhoog. Ik wenkte dat ze kon spreken.
“Heeft u een puntenslijper, meneer?” vroeg ze.
Het etui voor haar zat vol met pennen en potloden, en ik begreep niet waarom ze juist van dat potlood gebruik wilde maken.
“Je hebt een etui voor je, nietwaar?” zei ik norser dan gewoonlijk.
De klas keek me bevreemd aan.
“Ja, maar ik wil met potlood schrijven zodat ik het uit kan gummen als ik iets verkeerds heb opgeschreven.”
“Ik heb geen puntenslijper. Schrijf maar met een pen.” Ik voelde mijn ademhaling frequenter worden.
“Maar meneer De Boer heeft altijd een puntenslijper in zijn laatje,” vervolgde het meisje.
“Zie ik eruit als meneer De Boer?” vroeg ik nors.
“Gaat het goed met u, meneer?” vroeg Tobias vriendelijk.
“Ik geloof dat de instructie helder was, of niet?” vervolgde ik, terwijl ik Tobias’ zorgen negeerde.
Plotseling voelde ik steken in mijn borst. Geen harde steken, meer zeurderig.
Met mijn vingers voelde ik aan de slagaderen in mijn nek. Mijn hartslag leek normaal. Ik keek om me heen en voelde opnieuw mijn ademhaling frequenter worden. Met snelle tred liep ik rondjes door de klas en deed ik alsof ik keek naar wat de leerlingen schreven. Niemand durfde nog een vinger op te steken. Drie kwartier later ging de bel. Zonder iets te zeggen schoof iedereen zijn of haar stoel aan en verliet het lokaal.
© 2025 Remco van der Leeuw. Alle rechten voorbehouden.
Dit stuk is een schrijfstudie: een oefening in hoe spanning, interactie en groepsdruk op papier te brengen. Het richt zich niet op de inhoud, maar op de manier van schrijven — hoe dialogen, stiltes en details kunnen bijdragen aan sfeer en dynamiek.


Plaats een reactie