Voorzichtig opende Eend zijn ogen. Door de opening van de korf viel licht, groen gefilterd door het bladendek van de kastanjeboom. Eend keek om zich heen. Naast hem lag het briefje van Reiger opengevouwen.
Hoi Eend,
Ik ben de kluts kwijt.
Ik ga eropuit en kom vanzelf wel weer terug.
Zoek me maar niet.
Of wel.
Groeten,
Brandgans.
Hij dacht na. In zijn kop klonk nog de stem van Ooievaar: “Brandgans bevindt zich al twee dagen aan een bosmeer ten zuiden van de stad. Naar verluidt gaat het beter met hem. Meer dan dit weet ik niet.”
Zou Ooievaar echt niet meer weten? En wat betekent ‘beter’? Ging het dan slecht met hem? Zou hij de kluts hebben gevonden?
Er klonk gespetter in de sloot. Nieuwsgierig stapte Eend door de opening van de korf naar buiten.
“Hoi Waterhoen, wat leuk je weer te zien.”
Waterhoen keek verrast op en glimlachte kort.
“Hé Eend,” piepte ze.
De gele stip op haar snavel was dof, bijna kleurloos.
“Wat kijk je bedroefd, gaat alles wel goed?”
“Zie ik er niet goed uit?” vroeg Waterhoen bezorgd.
Eend zweeg even, zoekend naar een antwoord.
“Jawel, maar—”
“Ik ben zo moe. Zó moe. En ik heb niet eens veel gedaan. Alles gaat mis. Wat ik ook probeer, niets helpt. Wat moet ik nu?”
Waterhoen zwom onrustig heen en weer. Een geur van mest waaierde over; in de verte klonk de trekker van de boer.
“Ga anders even zitten aan de waterkant,” zei Eend. “Wat gaat er mis?”
Waterhoen kwam aan wal en ging naast Eend zitten.
“Alles. Ik ben gewoon niet mooi meer. Vroeger hoefde ik maar ergens rond te zwemmen en iedereen keek naar me. Meerkoeten, nijlgansen… Maar nu? Ze kijken alleen nog naar die zwaan. Ik doe van alles om aandacht te krijgen, maar niets werkt.”
Eend bleef even stil.
“Ik kijk naar je,” zei hij. “Waarom moet iedereen naar je kijken?”
“Omdat…” Waterhoen aarzelde. “Omdat dat is wie ik ben.”
“Maar ik kijk toch naar je?”
“Ja, maar dat is niet genoeg.”
“Waarom niet?”
Waterhoen haalde haar schouders op; haar blik werd scherp.
“Dat snap je toch wel?”
Eend dacht na.
“Nee, eigenlijk niet. Hoeveel vogels wil je dat er naar je kijken?” vroeg hij nuchter.
“Zoveel mogelijk,” piepte Waterhoen.
“Dan is het nooit genoeg,” zei Eend zacht. “Dat is vermoeiend.”
Hij keek naar het gemaaide gras onder hem en zag de eerste witte klavers weer opkomen.
Hier had Reiger gestaan met de boodschap van Brandgans. Misschien weet je dat pas als je het kwijt bent.
Plotseling werd het hem duidelijk.
“Dat is het. Je bent de kluts kwijt. Wíj zijn de kluts kwijt,” zei hij, zonder haar aan te kijken.
“Wat ben ik kwijt?” vroeg Waterhoen.
“Voor wie doe je het eigenlijk allemaal? En waarom? En voor wie doe ík dit allemaal? Waarom wil je dat men naar je kijkt, en waarom is het nooit genoeg? Je bent de kluts kwijt.”
Eend boog zich over het water en zag zichzelf, scherper dan ooit.
“Ja… we waren de kluts kwijt. Nee, wíj zijn de kluts kwijt. Maar waar is die? Brandgans had gelijk. We moeten op zoek, op zoek naar de kluts.”
“Wat is een kluts?”
“Dat weet je pas als je hem kwijt bent. Maar wij zijn hem kwijt. Hoe dan ook.”
Eend plonsde in het water, dook lang, kwam boven en schudde zijn kop droog. Water spatte als kleine spiegels uiteen.
“Kom,” zei hij. “Zuidwaarts. Naar het bosmeer.”
Waterhoen keek naar de rimpels die weer glad trokken. Ze streelde met de punt van haar snavel de doffe stip.
“Wacht,” zei ze. “Ik kom met je mee.”
Samen zetten ze koers, in de richting van de zon.
—
© 2025 Remco van der Leeuw. Alle rechten voorbehouden. De Kluts is een werk in ontwikkeling. Deze schrijfstudie kent twee sporen: het ontwikkelen van levensechte karakters én het laten meeklinken van Martin Bubers filosofie dat werkelijk leven ontmoeting is: “Alles wirkliche Leben ist Begegnung.”
Wil je verder lezen? Dat kan! Elke zaterdag publiceer ik een nieuw hoofdstuk.
Voor hoofdstuk 1 klik hier.
Voor hoofdstuk 2 klik hier.
Voor hoofdstuk 3 klik hier.
Voor hoofdstuk 4 klik hier.
Voor hoofdstuk 5 klik hier.
Voor hoofdstuk 6 klik hier.
Voor hoofdstuk 7 klik hier.


Plaats een reactie