ad te levavi

“Ah toe meester, alstublieft?” vroegen we.
“Moeten we echt wachten tot volgende week?”

Ik herinner me het als de dag van gisteren. Groep vijf van de basisschool, morgenopening, meester stond voor de klas. Het was de week van eerste advent en er mocht één kaarsje aan. Vermoedelijk las mijn meester iets voor uit het Lucas-evangelie. Vast het verhaal van Zacharias en de engel.

Er zat niets anders op: wachten op volgende week. En daarna weer een week, en nog één.
Van binnen wilde ik sneller:

“Waarom moeten we wachten met een kaars aansteken? Steek die hele boel toch aan. Het maakt toch niet uit? Ik wil ze nú aan. En het kán. Als iedereen het wil… waarom niet?”

Die kinderlijke vraag is eigenlijk heel volwassen: waarom wachten als het ook nu kan?

Begin kerkelijk jaar
Vandaag begint advent, de start van het kerkelijk jaar. En advent begint met… met wachten.
We mogen één kaarsje aansteken. Naar die andere drie mogen we alleen kijken.

Advent leert ons om niet alle kaarsen tegelijk aan te steken, maar stap voor stap licht te ontvangen én door te geven.

Volgens mij zijn we dat wachten een beetje verleerd.
Vandaag besteld, vandaag in huis.
Zin in zomer? Dan boeken we een vlucht naar de zon.
We willen alles tegelijk, het liefst gisteren.

Advent is eigenlijk een vastentijd. Een tijd van inkeer, bezinning en verwachting.
Maar voor velen is het een tijd van cadeautjes, versieren, gedichten, stress en vooral lekker eten. De agenda raakt voller en voller, ons hoofd drukker en drukker. En ergens onderweg raakt dat woord wachten kwijt.

Donkerte
Sinds ik in Zweden woon, is advent voor mij veranderd. De donkere november- en decemberdagen dwingen het lichaam om gas terug te nemen. Vermoeidheid komt als een metgezel die door de hele schepping wordt gevoeld. Verkoudheid, ziektes, donkerte – ze drukken iedereen langzamerhand naar binnen.

Het kan even niet allemaal.
Het is wachten op lichtere dagen.
Wachten op het licht.

En in afwachting daarop steken we vast een lichtje aan. Niet te snel, langzaam, op het ritme van de tijd. Eén kaars per week.

We gaan tegen de donkerte in, één lichtje per keer. Wordt het buiten donkerder? Dan steken wij een lichtje méér op. Het voelt als een opdracht: vechten tegen het duister. Niet met geweld, maar met licht. Niet door harder te schreeuwen, maar door trouw een kaarsje aan te steken.

In Zweden zingen kinderen: 1

Vi tänder ett ljus, (We ontsteken een licht)
sen tänder vi två (En vervolgens een tweede)
och sedan det tredje så gärna. (en daarna de derde, zo graag)
Och när vi tänt fyra (en als we de vierde hebben aangestoken)
vad händer väl då? (wat gebeurt er dan?)
Jo, då tänder Gud en stjärna. (Ja, dan ontsteekt God een ster.)

We steken één licht aan, dan twee, dan drie, dan vier – en dan, zegt het lied, dan steekt God zelf een ster aan.
Wij doen het kleine, Hij doet het grote.

Dat is advent: wij steken kaarsen aan, maar Hij is het Licht.
Advent zegt: je hoeft niet alles tegelijk.
Niet alle kaarsen aan.
Niet alle problemen opgelost.
Niet alle verlangens vervuld.

Werk en bid
Misschien was dit wel de opdracht van mijn meester: leren om geduld te hebben én om in actie te komen.
Schijn eerst maar eens één lichtje. Voor vandaag is één lichtje voldoende om het duister te verjagen. Ora et labora. Maar de redding komt niet van jou: dus labora je niet over de kop.

Advent leert ons: jij hebt het licht niet in handen, maar je mag het wel doorgeven.
Je hoeft het duister niet te winnen, maar je mag het wél uitdagen, iedere week opnieuw, met een klein vlammetje.

Voor vandaag is één lichtje genoeg om het duister te breken.

Voor wie steek jij je eerste lichtje aan?


  1. Tekst uit: Vi tänder ett ljus – Psalm 809, Psalmer och Sånger / Psalm 931, Nya barnpsalmboken (Zweedse psalmbundels). Text: Daniel Kviberg Musik: Torgny Erséus ↩︎

Eén reactie op “ad te levavi”

  1. Lidy Avatar
    Lidy

    Amen. Prachtig verwoord!

    Like

Plaats een reactie