In de boom bij het huis van mijn grootouders zat een gezichtje.
Op volwassen ooghoogte was een dikke tak bij de stam afgezaagd.
Het litteken dat was ontstaan leek op een oog.
Het was alsof hij je aankeek met een half-strenge blik wanneer je bij de grote tafel bij het raam zat.
Het was een oude boom, en dus gaf hij veel stekelige balletjes. Met emmertjes liepen mijn zusjes en ik door de tuin en verzamelden we de balletjes van de strenge meneer. Als onze emmertjes vol waren, gingen we aan de grote tafel bij het raam zitten en maakten we poppetjes van de balletjes. Het oog van de strenge meneer keek altijd naar binnen.
Bij het maken van de poppetjes gebruikten we prikkertjes die eigenlijk bedoeld waren voor kleine knakworstjes. De prikkertjes werden armen en benen; één prikkertje was genoeg voor zowel arm als hand. Soms knipten we de prikkertjes kort en gaven we het poppetje stekels.
In de wetenschap heet mijn strenge-meneer-fenomeen antropomorfisme. Dat woord komt van het Griekse ἄνθρωπος (mens) en μορφή (vorm): menselijke vormen zien in dingen. Dat weet ik nu. Ik weet ook dat de boom een paardenkastanje was, die tijdens een prachtige bloei voornamelijk door insecten wordt bestoven. Ik weet nu ook dat mijn moeder en grootmoeder blij waren als we even buiten kastanjes raapten, zodat zij rustig konden bijpraten met koffie en een koekje.
Onlangs zag ik weer ergens een paardenkastanje met een afgezaagde tak op ooghoogte. Even dacht ik: daar heb je hem weer. Ik keek naar de boom, eerst van dichtbij, daarna wat verder weg. Maar ik kon geen gezichtje meer ontdekken.
Misschien was de strenge meneer alleen streng voor kinderen.


Plaats een reactie