Sinds een paar jaar ben ik liefhebber van klassieke muziek. Dagelijks voer ik een heldhaftige strijd met mijn piano om Chopins Nocturne nr. 11 in g klein, Opus 37 nr. 1 in mijn vingers te krijgen.
Mijn kinderen zijn daar, laten we zeggen, niet altijd enthousiast over. Dat liet mijn zoon me vorige week op zijn eigen manier weten.
We gingen samen twee nachtjes weg. Ik had een afspraak in Småland, en het leek me een mooie kans om eens wat ‘quality time’ te hebben: de mannen onder elkaar. Stoer. Avontuurlijk. Of in elk geval: met veel ijsjes.
Van vrienden kreeg ik onlangs een cd met peuterliedjes. Dit leek het perfecte moment om ’m te testen.
Dertig kinderliedjes.
Leuk.
Vond mijn zoon ook.
Negenentwintig vond hij leuk. Eentje vond hij briljant.
Nummer twaalf. Een lied over tijgers. Midden in het refrein mochten de kinderen brullen als een tijger: RAWR!
Dat sloeg in als een bom. Papa is namelijk goed in RAWR doen. Dat is algemeen bekend.
“RAWR!” roept papa.
“RAWR!” doet de kleine man na, met een glinstering in zijn ogen en een dreumesdans in zijn stoel.
Via de achteruitkijkspiegel zie ik zijn grijns oplichten van geluk. Mijn hart smelt.
Hij zegt niets. Hij wijst. Naar het dashboard. En dan naar mij. Zijn ogen zeggen: Alsjeblieft papa, nog een keer.
Zijn mond brabbelt: “Meer.”
Na tien keer RAWR: “Lieverd, er zijn nog veel andere leuke liedjes.”
Hoofdschuddend: “Meer.”
Dus nog een keer.
En nog een keer.
En nóg een keer.
En nóg een keer.
Halverwege Linköping gaf ik het op. Bach zou moeten wachten.
De tijger won.
En ik brulde mee. Voor de 43ste keer: RAWR!
Niet mijn beste brul, maar toch applaus.
Op de terugweg luisterden we naar Bach.
Mijn zoon sliep.


Geef een reactie op raspberrysparkly8a64b7f633 Reactie annuleren