Dokter

Mijn oudste dochter wil later dokter worden. Om die droom te verwezenlijken moet er natuurlijk geoefend worden op ‘echte’ patiënten. Dus de laatste tijd ben ik regelmatig de klos.

Na flink wat gerommel in de bakken met speelgoed komt ze met haar plastic onderzoekstasje naar me toe. Haar blik is ernstig. Ik probeer me zo goed mogelijk in te leven in mijn rol en ga onderuitgezakt op de bank zitten. Voor extra effect maak ik een kermend geluid dat ze professioneel negeert.

Eerst een korte anamnese:
“Hoe gaat het?” vraagt ze lachend. Het is blijkbaar een vrolijke dokter.
“Niet zo goed, dokter. Ik voel me niet goed,” gevolgd door professioneel gejammer van mijn kant.
Ze kijkt me vragend aan.
Einde anamnese. Blijkbaar weinig tijd om door te vragen.

Dan het onderzoek.
Ze begint met het meten van mijn bloeddruk. Meten gaat op de onderarm, want mijn kolossale biceps passen niet in het Fisher-Price-meetgereedschap.
Er volgt een enorm getal, met drie cijfers voor de komma als bovendruk en een nog hoger getal als onderdruk. Ik heb altijd sterke twijfels bij de resultaten van Fisher-Price-meetapparatuur, maar moet toegeven dat, toen ik laatst de mannengriep had, het niet ver van de waarheid moet hebben gezeten.

Vervolgens wordt er naar het hart geluisterd. Ze drukt het borststuk en een oordop tegen haar oren en ik krijg een oordop op mijn borst (of preciezer: half in mijn nek), maar volgens haar is dat júist hoe het moet. Ze luistert een halve tel aandachtig. Het hart doet boem boem, zegt ze, en volgens haar is dat goed.

Dan is het tijd voor het meten van de temperatuur. Na enig gerommel in de dokterstas komt er een houten thermometer tevoorschijn. Heel even schiet de vraag door mijn hoofd in welk gat die terecht gaat komen. Tot mijn eigen verbazing voel ik opluchting wanneer het houten blokje “slechts” in mijn oor wordt gedrukt — wel zo stevig dat mijn trommelvlies bijna doorboord wordt. Na een portie tormentum volgen verlossende piep-piep-geluiden uit haar mond. Rond de 50 graden. Aan de hoge kant.

Na het onderzoek de diagnose.
Ik heb vrijwel altijd “ziek”. Deze dokter houdt van kort en bondig.

Dan de behandeling. Die kent weinig variatie.
“Ga maar lekker liggen, heit.”
Mijn kussen wordt grof opgeschud en ik mag lekker op de bank liggen. Er wordt een glas water tot de rand toe gevuld en naar mij toegebracht. De helft van de inhoud treft de grond in plaats van mijn lippen, alvorens het aangekomen is, maar dat ruimt zieke pappa straks wel weer op. Dokters dweilen immers niet.

Na dit halve glas water is de behandeling klaar en moet ik natuurlijk weer beter zijn. Ik bedank de dokter voor haar harde werken. Echte service: zonder wachttijd, zonder eigen risico. De enige zorgverlener die betaalt in knuffels. Dat zie je tegenwoordig nergens meer.

Posted In ,

Plaats een reactie