#5 de kluts

Aan de rand van het bos werden de eerste frambozen al rijp. Hoewel de zomer al lang haar intrede had gedaan, zong de merel nog steeds alsof het begin van de lente net was aangebroken. Eend keek vanaf de rand van het bos tussen de bomen door. Het beangstigde hem. De schaduw en de onvoorspelbaarheid van het bos maakten dat hij liever niet verder liep. Langzaam zette hij zijn zwemvliezen op de harde bosgrond, die bezaaid lag met sparrennaalden. Het prikte licht aan de randen van zijn vliezen. De bomen kraakten. De wind trok aan hun stammen. Onheilspellend bewogen ze heen en weer.
“Een eend in het bos. Dat zie je niet vaak,” hoorde hij opeens naast zich.
Specht stond als vastgelijmd tegen een dennenboom en keek met een scherpe blik naar Eend.
“Goedendag, meneer Specht. Dat klopt. Ik ben ergens naar op zoek,” antwoordde Eend moedig.
“Ach, das lastig,” bromde Specht. “Zoeken kost tijd. Tijd is geld, zeg ik altijd.”
Eend keek naar hoe Specht zijn kop schuin hield en met een paar tikken de stam inspecteerde.
“Zo’n hol?” zei Specht ineens. “Geloof me: de meeste spechten zijn daar veertien dagen zoet mee. Maar ik ben de meeste spechten niet, hè. Nee: negen dagen.
Per zomer tik ik zeker twintig holen los. Kijk, zo zit ’t: massa is kassa.”
Hij knikte naar de stam, alsof de boom hem gelijk gaf.
“Wat doe je met al die holen?” vroeg Eend nieuwsgierig.
“Wat denk jij dan?” antwoordde Specht. “Verhuur natuurlijk. Verkoop doe ik ook, hoor — maar alleen als ze écht met de pegels wapperen.
Had laatst nog zo’n rijke eekhoorn. Wilde per se een hol in een eik. Nou, normaal doe ik geen eik — véél te hard. Maar hé, als ze dokken… alles is te koop. Geld stinkt nie, zeg ik altijd.”
“Je zal wel hard werken,” mompelde Eend.
“Hard werken? Gappie, wie nie werkt, vreet nie. Die jonge spechten van tegenwoordig snappen er niks van. Mijn ouwe? Die hakte z’n snavel krom voor z’n pensioentje. Twee zomers langer doorgetimmerd, gewoon. Want geloof me, geld groeit nie aan de bomen — tenzij jij weet waar je moet hakken.”

Plotseling klonk het scherpe roepen van een vink. Eend draaide zijn kop om te kijken, maar nog voor hij iets kon zien, suisde een merel rakelings langs hem heen, razendsnel. Hij voelde zich klein tussen de hoge bomen waarvan hij de toppen niet kon zien. Het geritsel van bladeren mengde zich met het schorre gekrijs van een kauw, die wild scharrelend de bosrand afzocht naar voedsel. Verderop was het gedempte koeren van een duif te horen. 

“Ik zoek de kluts,” zei Eend met een stem alsof hij wist wat het was.
“Al sla je me dood,” antwoordde Specht. “Maar hé, als je hem gevonden hebt en het levert iets op, laat me het effe weten. Ik ga maar weer es aan het werk. Die bomen hakken zichzelf niet.”

Eend keek opnieuw omhoog naar de toppen van de berkenbomen. Wat deed hij hier eigenlijk? Ganzen bevinden zich nooit in bossen. En klutsen had hij nog nooit van gehoord. Toch was er iets in hem dat hem hierheen bracht. Een kracht die sterker was dan hijzelf. Hij dacht aan alle ontmoetingen die dag. Aan Kip, die iets in hem aan had gewakkerd. Strijdlustig leek. En aan Haan, die hem meer leek te zien dan alle andere vogels, ondanks zijn eigenaardigheden. Of aan Reiger, wiens woorden in hem resoneerden.

Zijn gedachten gaven hem kracht. Nogmaals keek hij omhoog en opnieuw zag hij de berken. Maar nu leken ze lager dan daarvoor. Het geritsel nam toe door de toenemende wind, die hij voelde in de rug. Hij ging vastberaden staan en begon te lopen. Hij liep. Hij liep in een sneller tempo dan anders.

Plotseling spreidde hij zijn vleugels en begon hij te vliegen. En hoewel het hem kracht kostte, gaf het hem ook vrijheid. Hij vloog anders dan anders. Alsof de zwaarte van zijn lijfje lichter werd bij iedere meter die hij aflegde. Hij hoorde opnieuw Spechts gehamer. Maar ditmaal klonk het als muziek waar zijn vleugels door in beweging werden gebracht. Hij vloog met vaart door het bos. De slagkracht van zijn vleugels nam toe en hij werd één met de ruisende bladeren.

Opeens zag hij hem. Even dacht hij dat hij droomde, maar toen wist hij het zeker. In de verte zag hij een klein bosmeer. En aan dat bosmeer zag hij Brandgans. Alles in hem werd stil.

Opeens klonk er een scherp: “Ho!”
Zijn vleugels sloegen opzij — te laat.

Op een tak, schuin boven het pad, zat Uil.
Groot, stil. Alleen zijn ogen bewogen.
Eend sloeg met een harde klap tegen de eik aan de rand van het bos aan.

“Maakt u het een beetje?” vroeg Uil, alsof er niets gebeurd was.
“Ik maak u er gaarne op attent dat hier meerdere gebruikers van het luchtverkeer aanwezig zijn, mijnheer de Eend. Daarenboven wil ik u erop wijzen dat het, ofschoon niet verboden, ongebruikelijk is dat hier eenden vliegen. Uw medeluchtgebruikers kunnen daarvan opzien. En zoals u begrijpt: opschudding in het luchtruim is niet bevorderlijk voor de veiligheid. U bent hier vanzelfsprekend zeer welkom, maar matig uw vaart overeenkomstig de ter plaatse geldende gedragslijn. Uw vervelende val geeft er blijk van dat het nut van regels vandaag wederom niet wordt gelogenstraft.”

Eend hoorde niets van wat Uil allemaal zei en voelde met zijn veren aan zijn kop op zoek naar een bult. Hij dacht aan Brandgans.

“Men is thans nog in beraad aangaande een eventuele snelheidsbeperking hier in het bos. Ik zal dit incident rapporteren teneinde spoedige navolging te waarborgen. De huidige omstandigheden nopen ons onvermijdelijk tot het treffen van maatregelen.”
“Ik zag Brandgans,” zei Eend, meer tegen zichzelf dan tegen Uil.
“Pardon?”
“Ja, ik zag hem, bij een bosmeer hier achter deze bomen.”
“Bosmeer? Mijnheer de Eend, ik vrees u te moeten corrigeren: er is hier, geologisch noch cartografisch, sprake van enig bosmeer in de directe of verre omgeving.”

Uil sprak met zijn ogen gesloten. Zo nu en dan deed hij ze open, en was het alsof de bomen zijn publiek waren tijdens een college. Hij zat op een eikentak, hoog boven Eend. Pas nu had Eend door dat Uil met hem sprak. De klap leek mee te vallen, hoewel de pijn in zijn hoofd nog voelbaar aanwezig was.
“Excuseert u mij, meneer Uil, u bedoelt dat er in deze contreien geen sprake is van een bosmeer?”

Het viel Eend op dat hij deftiger probeerde te spreken dan gewoonlijk, maar dat het onnatuurlijk aanvoelde.
“Correct,” antwoordde Uil. “Me dunkt dat u door uw val enige schade hebt opgelopen in uw werkelijkheidsbeleving. Ik raad u aan even rustig aan te doen de komende dagen. Het is niet ongebruikelijk dat verwarring optreedt na een frontale boomervaring.”

Eend bleef stil. Hij voelde hoe het daglicht voorbij de sparrennaalden zijn veren verwarmde. 

“Zal ik u begeleiden naar de andere kant van het bos?” vroeg Uil vriendelijk. 

“Ik vlieg niet zo snel,” zei Eend aarzelend. “Maar misschien kunt u een stukje met me mee, zodat ik de weg terugvind.”
“Dat u niet snel vliegt, valt te betwisten,” antwoordde Uil. “Maar ik vlieg graag met u mee.”

© 2025 Remco van der Leeuw. Alle rechten voorbehouden. De Kluts is een werk in ontwikkeling. Deze schrijfstudie kent twee sporen: het ontwikkelen van levensechte karakters én het laten meeklinken van Martin Bubers filosofie dat werkelijk leven ontmoeting is: “Alles wirkliche Leben ist Begegnung.”

Wil je verder lezen? Dat kan! Elke zaterdag publiceer ik een nieuw hoofdstuk. 
Voor hoofdstuk 1 klik hier.
Voor hoofdstuk 2 klik hier.
Voor hoofdstuk 3 klik hier.
Voor hoofdstuk 4 klik hier.

Posted In , ,

Plaats een reactie