‘Heit, no moatte wy de sandalen útdwaan, want hjir is God.’
Ik sta met mijn oudste dochter in onze nieuwe tuin en we bewonderen een kale struik.
Haar blik is ernstig. Het is koud en haar wangetjes kleuren roze van het buitenspelen.
Verbaasd kijk ik haar aan.
Sinds enkele weken lezen we voor uit de Bijbel. Na de klassiekers van Annie M.G. Schmidt, Dick Laan, Berber van der Geest en Astrid Lindgren vonden we het tijd voor de verhalen uit de kinderbijbel. Mijn dochter is nu vijf jaar en is dol op voorgelezen worden. Gebiologeerd luistert ze naar mijn stem terwijl ze dicht tegen me aankruipt op de bank. De verhalen geven soms gesprekstof voor een hele avond.
Ik geloof niet zo in ‘geloofsopvoeding’. Het is volgens mij een misvatting om je kind zo op te voeden dat het gaat ‘geloven’. Bovendien scheid ik de mensheid liever niet in christenen en niet-christenen, of hun geloof in levend of niet-levend.
De Bijbel is een fantastische boekenverzameling die ik graag bestudeer en van geniet, maar ‘Sola Scriptura’ dunkt me vooral protestantse armoede.
Kunst, humor en religie zijn volgens Herman Finkers drie vormen die bij elkaar horen en waarin het onuitspreekbare gestalte krijgt. Daarom kan ik zo genieten, samen met mijn kinderen, van deze drie schoonheden. De Bijbel werkt als een venster op dit onuitspreekbare, maar is volgens mij geen handboek voor het leven, eerder een gesprek met het leven.
Even denk ik na, kijk naar mijn laarzen en twijfel of ik even met blote voeten een rondje om het struikje zal gaan. Ik glimlach naar haar: ‘Bin ik even bliid dat ik gjin sandalen oan haw. Giest mei dan geane wy nei binnen. Krijst in lekkere beker waarme sûkelademolke by de kachel.’


Plaats een reactie