Toen ik onlangs de bovenverdieping van ons huis aan het opruimen was, zat mijn dochter achter de piano. Ze was druk bezig. Van vijf noten had ze een melodietje gemaakt dat ze steeds opnieuw speelde. Elke noot herhaalde ze vier keer voordat de volgende begon.
Ik moest denken aan mijn moeder, die in mijn puberteit heel wat uren mijn pianospel moest aanhoren en dat zonder al te veel morren doorstond.
Opeens vroeg ze:
‘Wat vind je ervan, heit?’
Ik was even stil. Hoewel ik het geen groot kunstwerk vond, hoorde ik in haar vraag een zekere trots. Eerst had ik gedacht dat ze wat aan het ouwehoeren was op de piano, maar in haar stem klonk een oprecht verlangen naar mijn oordeel. Ik liet het melodietje nog eens door mijn hoofd gaan.
‘Leuk,’ zei ik.
Ze keek me even aan om te zien of ik het echt meende. Ik glimlachte vriendelijk.
Die middag wilde ze met me mee naar de kerk naast ons huis. Als cantor oefen ik daar dagelijks voor de diensten. Eenmaal in de kerk snelde ze naar de piano en begon hetzelfde melodietje te spelen.
‘Heit?’ zei ze toen ik naast haar op de pianokruk kwam zitten.
‘Ja?’
‘Ik word altijd verdrietig in mijn hartje als ik dit speel. Ik vind het heel mooi. Ik denk…’
Even was het stil.
‘Ik denk dat ik dit ga spelen op je begrafenis.’
Ik schrok even, maar glimlachte opnieuw.
In mijn werk heb ik het voorrecht om iedere week een postludium te spelen. De mensen blijven dan keurig zitten luisteren en voor sommigen is dat het hoogtepunt van de dienst.
‘Volgens mij is het een veel beter idee als jij dit eens als postludium speelt,’ zei ik. ‘Zullen we er samen eens naar kijken?’
Ze knikte verlegen.
Die zondag zaten mijn ouders, mijn zwager en mijn tante in de kerk. Ze waren op bezoek.
En het postludium?
Dat was geschreven door mijn dochter en uitgevoerd door mij.
Misschien klinkt het ooit nog mooier op mijn begrafenis.

Plaats een reactie