Als jongetje had ik een echte Sesamstraatkamer. Vooral Bert en Ernie waren er in veelvoud vertegenwoordigd. Naast mijn bed hing een grote poster waarop alle poppen van Jim Henson naast elkaar stonden opgesteld, alsof ze samen een voetbalteam vormden.
Onlangs moest ik aan die poster denken toen ik mijn zoontje van drie naar bed bracht. Mijn vrolijke jongen wil de laatste tijd graag dat ik bij hem blijf tot hij in slaap valt. Natuurlijk deels voor de gezelligheid, maar ook om een andere reden.
Op school heeft hij een vriendje die nogal dol is op dinosaurussen. Soms komt hij brullend op me afgerend als een echte dinosaurus en probeert hij me bang te maken met zijn imitatie. Ik glimlach dan naar hem en brul stevig terug. Dan lacht hij, maar ergens zie ik ook dat hij het spannend vindt.
Toen ik hem onlangs naar bed bracht en zijn kleine handjes stevig vasthield, vroeg hij me na een korte stilte:
‘Heit, wenje hjir ek dinosaurussen?’
Ik glimlachte en moest denken aan mijn oude kamertje. De poster had er slechts een paar maanden gehangen, maar al snel moest er een stukje af. Oscar, de brompot in de vuilnisbak, was op mijn verzoek vakkundig door mijn ouders van de poster geknipt, zodat ik rustiger kon slapen.
‘Nee leave, dinos bestean net mear. Dy binne allegearre dea gong, lang ferlyn.’
Zijn donkere ogen keken me nog even onderzoekend aan. Ik zag dat mijn blik hem geruststelde. Een paar minuten later sliep hij.
Met zijn kleine handje in het mijne.


Geef een reactie